Soms zie ik het al voordat iemand het zegt.
Aan de manier waarop een gast ’s ochtends de trap afkomt.
Langzamer dan gisteren.
Met zachtere ogen.
Ik heb geen wekker nodig om te weten dat iemand hier goed slaapt.
Het zit in de stilte.
In de eerste koffie.
In het feit dat niemand haast lijkt te hebben.
Mijn plek is geen plek waar je vroeg opstaat om alles te zien.
Het is een plek waar je wakker wordt
en ineens voelt dat je nergens naartoe hoeft.
Sommige gasten vertellen me dat ze hier beter slapen dan thuis.
Anderen zeggen niets —
maar blijven langer aan tafel zitten dan ze van plan waren.
Dat is het ontwaken dat ik hier zie gebeuren.
Niet spectaculair.
Wel echt.
Een ochtend waarin je merkt
dat rust niet iets is wat je moet verdienen.
Dat je gewoon mag zijn.
En dat dat genoeg is.
Misschien is dat wat thuiskomen betekent.
Niet omdat mijn plek zo bijzonder is,
maar omdat je hier weer hoort
wat je zelf allang wist.
En elke keer als ik dat zie gebeuren,
word ik daar oprecht blij van.